De Bodem van Noord-Nederland in kleur

Teller

Onderstaande artikelen verschenen eerder in de serie "Van Eigen Bodem" in het tijdschrift Noorderbreedte.
Noorderbreedte is een tijdschrift over landschap, cultuurhistorie, ruimtelijke ordening, architectuur, natuur, milieu en kunst in de openbare ruimte van Groningen, Friesland en Drenthe.
Noorderbreedte wordt tweemaandelijks uitgegeven sinds april 1977.

Zie ook de website van Noorderbreedte (www.noorderbreedte.nl)

Drie ijstijden op elkaar in Donderen (verscheen in Noorderbreedte 2001-1)

Tekst en fotografie: Gerrie Koopman

Het esdorp Donderen is gelegen op de Rolderrug. Dit is een van de ruggen in Drenthe die parallel loopt aan de Hondsrug en in het terrein goed zichtbaar is. Omdat vanouds de essen op relatief hooggelegen delen van het zandlandschap werden aangelegd, is het niet verwonderlijk dat Donderen twee langgerekte essen heeft: de Noord- en de Zuides. Deze essen accentueren vanouds de Rolderrug.
Ten zuidoosten van Donderen bevindt zich, aan de rand van de Zuides, een restant van een oude zandgroeve in de oostelijke flank van de Rolderrug, die tot het eind van de jaren tachtig geëxploiteerd werd door de voormalige gemeente Vries. De steilrand aan de rand van de groeve is bewaard gebleven omdat zich hier tijdens de zandwinning een oeverzwaluwkolonie had gevestigd. Als klein vogelreservaatje werd het gebied met rust gelaten, slechts verstoord door het jaarlijkse paasvuur van Donderen. Oeverzwaluwen komen hier al lang niet meer, maar de steilrand in de Rolderrug is nog steeds aanwezig. Het bijzondere van deze locatie is dat hier een bodemprofiel zichtbaar is waarin binnen enkele meters de afzettingen uit drie ijstijden zichtbaar zijn.

Poesjeszand

Het onderste gedeelte van het bodemprofiel bestaat uit spierwit, fijn en glinsterend zand. Als je dit fijnkorrelige zand tussen de vingers neemt, voelt het zacht aan. Zo zacht dat ras-bodemkundigen spreken over 'poesjeszand'. Wrijf je het zand vervolgens uit de handpalm, dan blijven er heel kleine plaatvormige mineralen in de handnerven achter. Dit zijn mica's. Ze veroorzaken een kerstkaart-achtige schittering van de hand in het zonlicht. Dit witte zand werd tijdens de op twee na laatste ijstijd, het Elsterien, door het ijs-smeltwater afgezet in gigantische smeltwaterbekkens. Het behoort, evenals de potklei die tijdens dezelfde ijstijdperiode werd afgezet, tot de Formatie van Peelo en wordt daarom ook wel aangeduid als 'Peelo-zand'.
In het bovenste, geelgekleurde gedeelte van het profiel is een fraaie gelaagdheid zichtbaar. Zoals de naam als zegt, is dit dekzand als een deken over de oudere sedimenten afgezet. Dit gebeurde tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, onder klimatologische omstandigheden die vergelijkbaar zijn met de huidige toendra's. Een permanent bevroren ondergrond, samen met ijzige schrale omstandigheden, zorgde ervoor dat de harde wind vat kon krijgen op het materiaal dat aan de oppervlakte lag. Uit het droogliggende Noordzeebekken, maar ook lokaal, werd alles wat klein genoeg was door de zandstormen meegevoerd en onder luwere omstandigheden weer neergelegd. De zandgronden in Noord-Nederland, maar ook in Midden- en Zuid-Nederland bestaan uit dit dekzand. Het fijnere stof werd over nog grotere afstanden vervoerd en onder nog luwere omstandigheden afgezet. Dit vinden we, onder de naam löss, aan de oppervlakte in Limburg, Door de afwisselend hoge en lagere windsnelheden werden achtereenvolgens respectievelijk grotere en kleinere korrels afgezet. Dit veroorzaakt de afwisseling van de (donkere) fijnere laagjes en de (lichter gekleurde) grovere laagjes in het dekzand.

Keileem

Tussen het Peelo-zand en het dekzand, ter hoogte van het handvat van de schep, zien we een grillig gevormde laag van gemiddeld 10 cm dik. Dit is een klein restant van het keileem dat dateert uit de op één na laatste ijstijd, het Saalien. Half Nederland, ongeveer tot de lijn Haarlem-Nijmegen, was toentertijd bedekt met een honderden meters dikke laag landijs. Over de bodem werden zand, klei en leem, maar ook keien, waaronder de dikke Hunebedstenen, vanuit Scandinavië naar ons land getransporteerd. Na het smelten van het ijs bleef een sterk samengeperst en doorkneed materiaal achter, bestaand uit enerzijds fijne klei en leem, maar ook uit zand en stenen; vandaar de naam 'keileem'. Op sommige plaatsen in Noord-Nederland zijn keileemlagen van zeven meter dik aangetroffen. Hier, op de Rolderrug, is het keileem door erosie grotendeels verdwenen. Het is gereduceerd tot een dun laagje met kleibrokken en stenen.

Aardkundig monument?

Naast het beschreven bodemprofiel zijn, na even zoeken en met een beetje geluk, in de steilrand nog meer bijzonderheden aan te treffen, zoals tijdens de laatste ijstijd gevormde vorstwiggen of een in diezelfde periode ontwikkeld fossiel bodemprofiel. Goed zichtbaar zijn overal de zogenoemde 'vingers van Hoeksema' en nog veel meer details waar een beetje bodemkundige zich de vingers bij aflikt. Helaas raakt de steilrand de laatste jaren in verval. Omdat alles zo fraai zichtbaar kan zijn, hebben we hier te maken met een aardkundig monument. De oeverzwaluwen hebben een voorzet gegeven; het is aan de provincie Drenthe om de bal in te schieten en deze locatie, na een opknapbeurtje, te benoemen als volwaardig aardkundig monument.


De wierde van Englum (verscheen in Noorderbreedte 2001-2)

Tekst: Gerrie Koopman en Piet Kooi
Fotografie: Jan Delvigne

Een kleine kilometer ten westen van Saaksum (Gr) ligt Englum. Evenals Saaksum en de naar het oosten gelegen dorpen Ezinge, Feerwerd en Garnwerd behoort Englum tot de wierdenreeks die ligt op de kwelderwal ten zuiden van het huidige Reitdiep.
Het bij terpen en wierden veel voorkomende achtervoegsel '-um' in de naam is afgeleid van 'heim' (erf). Waarschijnlijk hebben vroegere bewoners zo ooit hun naam aan hun woonplaats gegeven. In de omgeving wordt trouwens niet van Englum gesproken, maar van Legewier. Deze veldnaam (lage wierde) hangt samen met het feit dat de zuidelijke helft van de wierde aan het begin van de twintigste eeuw is afgegraven om als bemesting te dienen voor de schrale veen- en zandgronden in met name Drenthe. Er werd destijds dieper gegraven dan het omringende maaiveld, waardoor een laagte is ontstaan. Dit gebeurde op veel meer plaatsen en dat is tegenwoordig vooral 's winters nog goed te zien, want hier vinden we veelal de ijsbanen van de wierdendorpen.
De wierde van Englum wordt aan de westzijde geraakt door de Reitdiepdijk. De niet afgegraven noordelijke helft is tegenwoordig in gebruik als akker. Een groot deel van de zuidelijke helft bestaat uit vochtig laaggelegen grasland. Een overgebleven huisplaats, waar tot 1920 een boerderij stond, is het enige zichtbare restant van de eeuwenlange bewoning op de wierde van Englum.

Een van de oudste wierden

In september 2000 is de steile wand van het niet afgegraven gedeelte van de wierde van Englum vers aangesneden, zodat driekwart van de wierde in een dwarsdoorsnede was te bestuderen. Het hoogste punt van de wierde ligt op 4,20 m + NAP.
De hier beschreven profielfoto toont slechts een klein gedeelte van de honderd meter lange dwarsdoorsnede. Het bodemprofiel is bijna helemaal door de mens opgebouwd. Als we van onder naar boven kijken, kunnen we de bewoningsgeschiedenis van de wierde als het ware lezen.
Laag 1 is losse, afgestoken grond en hoort dus eigenlijk niet bij het bodemprofiel. Laag 2 laat heel fraai de fijne gelaagdheid van de originele kwelderafzetting zien. Opvallend is dat deze laag aan de rechterkant grijsgekleurd is, maar links blauwzwart. De zwarte kleur is afkomstig van pyriet (ijzersulfide), dat van oorsprong veel aanwezig is in de kwelderafzetting. Iedereen die wel eens wadgelopen heeft, herinnert zich de zwarte blubber die na een tijdje grijs opdroogt. Pyriet oxideert razendsnel zodra het in contact komt met zuurstof. Het linkerdeel van laag 2 is kennelijk pas kort voor het nemen van de foto afgestoken.
Dateringsmethoden hebben vorig jaar aangetoond dat Englum tot een van de oudste wierden kan worden gerekend. Rond 600 voor Christus trokken de pioniers vanaf de zuidelijke zandgronden langs de boorden van de Hunze (Reitdiep) naar de drooggevallen, begroeide kwelders. In het begin liet men alleen 's zomers hier het vee grazen. Toen het veilig genoeg was om ook 's winters op de kwelders te vertoeven, ontstonden de eerste nederzettingen op de van nature hoger gelegen plaatsen. Reeds in de vijfde eeuw voor Christus vond de eerste bewoning plaats op de plek Englum.
Laag 3 toont een min of meer homogene laag die kan worden gezien als de eerste ophoging tot een wierde. Men deed dat waarschijnlijk volstrekt onbedoeld. Als neveneffect van de geconcentreerde bewoning en het houden van vee, bleef ter plekke mest en ander afval liggen.

Schedels en schelpen

In laag 4 is een hoge concentratie mest te zien. De horizontale gele streep is overigens een meterband. Deze mestlaag wordt in de profielbeschrijving van het Groninger Instituut voor Archeologie (GIA) ook wel de 'schedellaag' genoemd, omdat bij het onderzoek in 2000 hierin acht menselijke schedels zijn aangetroffen. Waarom de schedels juist in deze laag aangetroffen zijn en waarom alleen maar schedels, is nog raadselachtig.
De bovenzijde van de mestlaag, laag 5, bestaat uit een schelpenlaag. Naar alle waarschijnlijkheid is dit een overblijfsel van menselijke consumptie van schelpdieren zoals mossels en kokkels. Bij het onderzoek is deze schelpenlaag gedateerd op ca. 350 voor Christus.
Laag 6, 7 en 8 zijn ogenschijnlijk behoorlijk uniform van samenstelling. In close-up zouden we hier echter allemaal laagjes in kunnen herkennen. Eeuwenlang werd de wierde, in lagen variërend in dikte van 5 tot 30 cm, steeds verder opgehoogd. Lagen mest en afval werden periodiek met kwelderplaggen afgedekt. Het is niet verwonderlijk dat de vele terpen en wierden, die dus bestaan uit een mengsel van vruchtbare lichte klei, mest en afval, grootschalig als meststof zijn afgegraven. Het verschil in kleur tussen laag 6 en de lagen daarboven, wordt veroorzaakt door vochtverschillen. Bovenin is het profiel dusdanig uitgedroogd dat de kleur veel lichter grijs is geworden. Tevens zijn in de bovenste drie lagen krimpscheuren te zien die karakteristiek zijn voor een kleihoudende grondsoort. De kleideeltjes hebben namelijk de eigenschap dat ze krimpen onder droge omstandigheden en zwellen onder vochtige omstandigheden. De bovenste laag 8 van ongeveer 30 cm is iets donkerder dan de rest en is de bouwvoor die jaarlijks omgeploegd wordt. Vorig jaar stond er graan op de wierde.

Englum visueel hersteld

Het onderzoek in 2000 was een onderdeel van een programma van opgravingen in terpen en wierden in Noord-Nederland, dat wordt uitgevoerd door het GIA in samenwerking met het Amsterdams Archeologisch Centrum. In het kader van het project Wierden en Waarden van de provincie Groningen, wordt Englum als landschappelijk element in oude glorie hersteld.
Rond het afgegraven gedeelte van de wierde is een dijk aangelegd. Binnen die dijk wordt binnenkort baggerslib opgespoten vanuit het Reitdiep. Na een rijpingsperiode van enkele jaren wordt de wierde weer in de oorspronkelijke vorm teruggebracht. Op deze manier blijft het bodemarchief in de noordelijke helft voor toekomstige generaties intact en kan de wierde van Englum in de toekomst weer rondborstig op de kaart worden gezet.


Podzolprofiel in het Ballooërveld (verscheen in Noorderbreedte 2001-3)

Tekst en fotografie: Gerrie Koopman

De podzol is een bodemtype dat in de schrale dekzandgronden in Noord-Europa, waar een neerslagoverschot heerst, veelvuldig voorkomt. De naam is in de negentiende eeuw door de Rus Dokuchaiev geïntroduceerd. 'Pod' betekent in het Russisch 'gelijkend op' en 'zola' betekent 'as'. De naam is afgeleid van de grijze (en dus askleurige) uitspoelingslaag die in veel podsolgronden goed zichtbaar is.
Een podzol is ontstaan door een eeuwenlang proces van uitspoeling en inspoeling in leemarm dekzand. Het dekzand is tijdens de laatste ijstijd door de wind als een metersdikke deken afgezet. Het gehele profiel had aanvankelijk de karakteristieke egaal bruingele kleur van dekzand, zoals in de onderste helft van het profiel nog zichtbaar is. Als gevolg van het vochtiger wordende klimaat raakte Nederland bedekt met bos. Afgestorven plantenmateriaal werd door organismen afgebroken tot humus en deze werd door bodemorganismen door de bovenste decimeters van de grond gemengd. Deze bovengrond kreeg hierdoor een steeds donkerder kleur. In de loop van de tijd kwam een natuurlijk verzuringsproces op gang, waardoor een deel van de humus oplosbaar werd en met het infiltrerende regenwater de grond inspoelde. Op hun weg naar beneden namen de humuszuren alle ijzer- en aluminiumverbindingen mee, die als verweringshuidjes om de dekzandkorrels zaten, waardoor uiteindelijk alleen de naakte kwartskorrels overbleven. Op deze manier ontstond een askleurige laag die de uitspoelingslaag wordt genoemd. De humuszuren en meegevoerde ijzer- en aluminiumverbindingen zijn op enige diepte neergeslagen rondom en tussen de dekzandkorrels, waardoor een diepbruine laag is ontstaan: de inspoelingslaag.

Veldpodzol

Het afgebeelde bodemprofiel is een veldpodzol. Dit is een type podzolprofiel dat ontstaan is bij een relatief hoge grondwaterstand. Ongeveer tweederde van alle podzolgronden in Nederland zijn veldpodzolen. Het voorvoegsel 'veld' is afgeleid van de vroegere gemeenschappelijke gronden: de heidevelden. Heidevelden, zoals het Ballooërveld, zijn vroeger door het afplaggen sterk verschraald. Hierdoor zijn podzolgronden gedurende de laatste duizend jaar extra goed ontwikkeld.
In het bodemprofiel zijn de karakteristieke lagen van een podzol goed zichtbaar. Bovenin zien we de door humus donkergekleurde laag die aan de oppervlakte als gevolg van uitdroging iets lichter gekleurd is.
Op ongeveer 25 cm diepte begint een 10 cm dikke uitspoelingslaag die heel lichtgrijs is. Deze askleurige laag wordt ook wel de loodzandlaag genoemd en bestaat voor een groot deel uit pure kwartskorrels. In veldpodzolgronden kan de uitspoelingslaag soms nagenoeg wit zijn (schierzand).
Direct onder de lichte uitspoelingslaag en zeer contrasterend, bevindt zich de inspoelingslaag van ongeveer 15 cm dik. Doordat de humusverbindingen elk zandkorreltje omgeven als een korstje van een borrelnootje, is de inspoelingslaag diepbruin van kleur. Niet zelden zijn de ruimtes tussen de zandkorrels verstopt met humus, waardoor de inspoelingslaag nauwelijks nog water door kan laten.
Onder de bruine inspoelingslaag bevindt zich het niet door podzoleringsprocessen aangetaste dekzand.

Vlekken en spikkels

Naast een neerslagoverschot hebben we in Nederland 's winters een hogere grondwaterstand dan 's zomers. Door deze jaarlijks fluctuerende grondwaterstand is, als gevolg van ijzeroxidatie, een patroon met bruinige vlekken in het dekzand ontstaan. Tevens zien we veel langgerekte zwarte spikkeltjes in het onderste gedeelte van dit podzolprofiel. Deze fijne stipjes en streepjes zijn oude wortelgangetjes van de grassoort pijpenstrootje. Pijpenstrootje gedijt goed op de lage vochtige heideterreinen met grote grondwaterstandfluctuaties en kan bij lage waterstand zeer diep wortelen. De gangen van de afgestorven wortels zijn in de loop van de tijd opgevuld met ingespoelde humus. De gitzwarte humusvullingen van de smalle wortelgangen zijn in het lichte dekzand goed zichtbaar.

Vogelvrij?

In het dekzandgebied hebben zich veel podzolprofielen gevormd, hoewel het honderden, zo niet duizenden, jaren duurt voordat de podzoleringsprocessen goed tot uiting komen. In het verleden zijn veel podzolgronden moedwillig vernield. De slecht waterdoorlatende inspoelingslaag is namelijk nadelig voor de landbouw, omdat het regenwater in lage gebieden op deze laag blijft stagneren en zorgt voor plasvorming of een kletsnatte bovengrond. Door diepploegen en mengwoelen heeft men ten behoeve van het agrarische gebruik op veel plaatsen de compacte inspoelingslaag doorbroken. Door bijvoorbeeld egalisatie en zandwinning worden nog steeds grote oppervlakten podzolgronden verminkt.
Ook al hebben we hier met een veel voorkomend bodemtype te maken, door de benodigde tijdsduur voor ontwikkeling kunnen we zeker spreken van aardkundig waardevolle profielen. De best geconserveerde podzolen zijn en blijven aanwezig in de bodem van de overgebleven heidevelden, zoals op het Ballooërveld. De enige aantasting is de periodieke 'onthoofding' van het bodemprofiel bij het eventuele afplaggen. Maar dat hoort er nou eenmaal bij op een heideveld.


Van veenmos tot mosveen (verscheen in Noorderbreedte 2001-4)

Tekst: Gerrie Koopman
Fotografie: Paul Paris

Turf is eeuwenlang de belangrijkste bron van energie voor ons land geweest. Vier eeuwen geleden begon men in Friesland, Groningen en Drenthe gigantische massa's hoogveen, en in mindere mate laagveen, af te graven ten behoeve van de energievoorziening van Nederland. Zo is het ongeveer 160.000 hectare grote Bourtangerveen, een hoogveengebied ten oosten van de Hondsrug dat zich uitstrekte tot over de grens met Duitsland, grotendeels verdwenen door turfwinning en ontginning. Zuidoost-Drenthe was omstreeks 1850 het laatste grote veengebied van Nederland dat 'aan snee' kwam. Hier is in 1992 de veenwinning in Nederland officieel beëindigd. Hier bevindt zich ook nog een restant van het eertijds vele meters dikke pakket hoogveen. Het hier afgebeelde bodemprofiel bevindt zich iets ten zuiden van het dorp Zwartemeer aan de rand van het zogenoemde Meerstalblok. Dit is een onderdeel van het hoogveenreservaat Bargerveen, dat beheerd wordt door Staatsbosbeheer.

Hoogveenvorming

Ruim tienduizend jaar geleden, vlak na de laatste ijstijd, was zo goed als heel Noord-Nederland bedekt geraakt met een laag dekzand. Met het vochtiger worden van het klimaat steeg de grondwaterspiegel en vulden zich de laaggelegen delen rond het Drents Plateau met water. Afgestorven plantenresten, zoals riet, stapelden zich op in het zuurstofarme water dat in contact stond met het grondwater. Het aldus ontstane veen wordt laagveen genoemd. Naarmate het veenpakket dikker werd, kwam de veenvorming minder onder invloed te staan van het voedselrijke grondwater en meer onder invloed van regenwater. De vegetatie veranderde daardoor van samenstelling. Riet ruimde het veld, zeggesoorten kwamen ervoor in de plaats en die werden op hun beurt overwoekerd door veenmossen. Veenmossen hebben het vermogen om regenwater in hun cellen vast te houden, waardoor ze als een spons werken. Ze kunnen zo een eigen waterspiegel vormen, die op den duur ver boven het grondwater uit kan komen. In het Bourtangerveen heeft het veenpakket daardoor op sommige plaatsen een dikte van meer dan tien meter kunnen bereiken! Het veen dat onder invloed van het voedselarme regenwater en als het ware op een hoger niveau dan de grondwaterspiegel wordt gevormd, noemen we hoogveen. Omdat veenmossen de belangrijkste hoogveenvormers zijn, wordt hoogveen ook wel veenmosveen genoemd.

Zwartveen en bolster

Het afgebeelde profiel toont een hoogveenpakket van ruim twee meter dik, boven op dekzand dat helemaal onderaan zichtbaar is. Door het waterverlies na drooglegging klinkt een veenpakket enorm in. Bovendien gaan de plantenresten (alsnog) verteren. Daarom is het niet onwaarschijnlijk dat de oorspronkelijke dikte twee keer zo groot is geweest. Naast veenmossen zijn ook andere plantenresten te herkennen in een hoogveenprofiel. Zo kunnen we in een hoogveenturfje takjes tegenkomen van dop-, kraai- en/of lavendelheide. Hoogveen is op het oog vooral goed te herkennen aan de taaie bladresten van éénarig wollegras die overal als flarden uit het profiel hangen. Omdat ze veel lijken op bosjes haar, werden deze restanten van wollegras door verveners destijds ook wel 'lokken' genoemd.

Het totale veenpakket op de foto bestaat grofweg uit drie delen. Opvallend is de overgang op ongeveer 75 cm onder de bovenkant. Het bovenste veen heeft een lichter bruine kleur en is losser van structuur dan het veen daaronder. Deze scheiding heeft te maken met een klimaatverandering rond 850 voor Christus. Het donkerbruine gedeelte wordt 'oud veenmosveen' genoemd en is gevormd in een relatief warmer en droger klimaat en door andere veenmossoorten dan de bovenste veenlaag. Het is meer verteerd en daarom donkerder van kleur en compacter van samenstelling. Dit oude veenmosveen (of zwartveen) had als turf een hogere verbrandingswaarde dan het bovenliggende jonge veenmosveen (of bolster). Het jonge veenmosveen werd bij de vervening meestal opzij gezet en na het afgraven van het oude veenmosveen weer teruggestort. Tijdens droge perioden gedurende de hoogveenvorming, maar ook nadat het veenpakket droog werd gelegd, zijn veel plantenresten in humus omgezet. De stroperige humus kon met het regenwater door het veenpakket zakken en bleef direct boven het dekzand steken. Daardoor is de onderste zone in het veenpakket, ter hoogte van de onderste helft van de schepsteel, zwart gekleurd. De schoensmeerachtige humussubstantie die zich hier plaatselijk opgehoopt heeft, wordt 'gliede' genoemd. Ook de bovenkant van het onderliggende dekzand is verkleurd door humusinspoeling. Waarschijnlijk is dit deels al gebeurd door podzolvorming (zie Noorderbreedte 2001-3) vóórdat de veenvorming omstreeks vierduizend jaar geleden hier is begonnen.

Weer levend hoogveen

In de directe omgeving van het gefotografeerde hoogveenprofiel heeft Staatsbosbeheer al in de jaren zeventig dammen van het compacte zwartveen opgeworpen. Er zijn bassins op verschillende niveaus gecreëerd waarin het regenwater kan worden opgevangen en vastgehouden. In dit voedselarme sawalandschap voelen de veenmossen zich weer thuis en kan de hoogveenvorming na enkele eeuwen stilstand weer voorzichtig op gang komen.


Knipklei onder het Zerniketerrein (verscheen in Noorderbreedte 2001-5)

Tekst en fotografie: Gerrie Koopman

De zeeklei in het noordelijk kust- en zeekleigebied is afgezet onder invloed van een voortdurende zeespiegelstijging. Sinds het laagste peil tijdens de laatste ijstijd, steeg de zeespiegel met ruim honderd meter! Er waren perioden waarin de zee steeds verder landinwaarts trok. Deze perioden worden transgressies genoemd. Daarnaast waren er ook relatief korte perioden waarbij de invloed van de zee afnam; de zogenoemde regressies. Tijdens transgressieperioden overspoelde de zee het land en liet daarop de meegespoelde deeltjes achter, terwijl tijdens regressieperioden veenvorming kon plaatsvinden. Geologen onderscheiden een tweetal complexen van transgressiefasen: die van Calais (tot ca. 3800 jaar geleden) en die van Duinkerke (vanaf 3800 jaar geleden). De zeekleigronden in Groningen en Friesland zijn bijna allemaal tijdens de Duinkerke-transgressieperioden gevormd.

Pik- knik- en knipklei

Het Zerniketerrein, ten noorden van de Groninger stadswijk Paddepoel, is gebouwd op jonge zeekleigrond. Het getoonde bodemprofiel, afkomstig van dat Zerniketerrein, bestaat grotendeels uit zogenoemde knipklei. Dit is een zware kleisoort die door de oprukkende zee hier werd achtergelaten gedurende de Duinkerke-II-transgressieperiode (250-650 na Chr.). Tussen de kwelderwallen van het tegenwoordige Hogeland en de uitlopers van het Drents Plateau werd fijne klei afgezet in een rustig en brak milieu. Als gevolg van het afzettingsmilieu loste de aanwezige kalk direct op.
Een zware klei die ook nog kalkloos is, heeft nauwelijks structuur en is heel moeilijk te bewerken. Onder natte omstandigheden is knipklei helemaal dichtgezwollen en kan het water niet meer weg, terwijl het in de zomer droogtegevoelig is en keihard kan worden. Geen wonder dus dat de knipkleigronden met agrarische bestemming praktisch alleen als grasland worden gebruikt. Aan dit landgebruik, meestal gekoppeld aan een intensieve oppervlakkige begreppeling, is knipklei in Friesland en Groningen dan ook goed in het landschap te herkennen.
Knipklei is al sinds de Middeleeuwen zeer gewild voor de baksteenindustrie. Met name in Groningen zijn grote oppervlakten afgegraven. Omdat van nature de Groninger knipklei veel ijzer bevat, zijn de Groninger bakstenen karakteristiek rood van kleur. De naam 'knipklei' is tegenwoordig landelijk in zwang, maar voorheen werd deze naam vooral gebruikt in Friesland, terwijl men in Groningen over 'knikklei' en in Noord-Holland over 'pikklei' sprak. In Duitsland staat deze vette zeeklei bekend onder de naam 'Knick'. Waar al die namen precies vandaan komen, is zelfs bij de meest gerenommeerde bodemkundigen niet bekend.

Knippoldervaaggrond

Het bodemprofiel op de foto is genomen in een zogenoemde profielkuil die door studenten werd gegraven. Zware klei is klei met een hoog gehalte aan zeer fijne kleideeltjes, maar de term 'zwaar' is afgeleid van 'zwaar bewerkbaar' en dat hebben betreffende studenten geweten.
Het linker deel van het profiel is met een mes bewerkt, zodat de aanwezige structuurelementen beter zichtbaar worden. Rechts van de centimeterband is het profiel recht afgestoken, zodat de gelaagdheid goed zichtbaar is. Op het oog is niet veel gelaagdheid te herkennen. Dit is karakteristiek voor de relatief jonge zeekleigronden. Ze zijn namelijk mineralogisch rijk en geologisch gezien erg jong. Bodemvormende processen hebben daardoor nog te weinig tijd gehad om tot uiting te komen in een gelaagdheid. De kenmerken zijn nog 'vaag'. In de bodemclassificatie wordt daarom gesproken van een 'vaaggrond'. Om precies te zijn hebben we hier te maken met een 'knippoldervaaggrond'.
In de bovenste twintig centimeter is het profiel beter en fijner van structuur dan daaronder. Dit is voornamelijk het resultaat van het noeste werk van bodemorganismen. Met name regenwormen spelen een belangrijke rol bij het doorwoelen van de grond en het intensief mengen van humus en klei, waardoor de bovengrond korreliger van structuur wordt en iets donkerder gekleurd dan daaronder. De bovengrond is enigszins roestig van kleur. Onder invloed van zuurstof, die toetreedt langs wortelgangen, graafgangen en scheuren, gaat het aanwezige ijzer oxideren tot roest.

Beneden de dertig centimeter diepte is nauwelijks invloed van bodemorganismen en beluchting waarneembaar. Hier zien we dan ook de karakteristieke grijze kleikleur. Op ongeveer tachtig en honderd centimeter diepte zijn duidelijk twee donkere laagjes te herkennen. Hierin herkennen we een tweetal regressiefasen, waarin de zeespiegel nauwelijks steeg en vegetatiegroei op gang kwam. Deze planten werden daarna weer overdekt met zeeklei uit een volgende transgressie. In de omgeving heeft een koolstofdatering laten zien dat de bovenste laag ongeveer 300 na Chr. werd overspoeld en de onderste laag ongeveer 500 voor Chr.

Permanente expositie

Op het Zerniketerrein wordt voortdurend gebouwd en dus ook gegraven. Dit jaar nog is een enorme hoeveelheid grond omgezet om de Grand Terp van Peter Greenaway vorm te geven. Ook wordt momenteel een ontsluitingsweg aangelegd over het Reitdiep. En er worden kilometers kabels gelegd. Bij dit soort werkzaamheden wordt telkens gerommeld in de fraaie zeekleiafzettingen. Voordeel is dat er onbedoeld een bijna permanente expositie op het Zerniketerrein is te zien van het bodemarchief dat dit, vroeger en nu, dynamische stukje Noord-Nederland herbergt.


Spiegelbeeld in het zand (verscheen in Noorderbreedte 2001-6)

Tekst: Gerrie Koopman
Fotografie: Henk Brandsen

Heel veel van wat we weten over de vroegere bewoners van de hogere zandgronden in Drenthe, heeft betrekking op graven en vooral op hun inhoud. Graven zijn in de archeologie altijd dankbare onderzoeksobjecten geweest. Na de hunebedden zijn grafheuvels, of tumuli, landschappelijk de meest in het oog springende grafmonumenten. Grafheuvels bestrijken verschillende archeologische perioden. Neolithische grafheuvels zijn de oudste en zijn in de meeste gevallen opgeworpen over een begraven lijk. Het meest talrijk zijn de grafheuvels uit de bronstijd. Naast lijkbegravingen vonden in deze periode ook lijkverbrandingen plaats. IJzertijdgrafheuvels zijn vaak kleiner en bedekten veelal urnengraven. Bij lijkbegravingen kreeg iedere dode weliswaar z'n eigen kuil, maar lang niet ieder graf werd bedekt of gemarkeerd door een heuvel. Graven zonder heuvel worden 'vlakgraven' genoemd en zijn meestal per toeval ontdekt. Grafheuvels zijn markante landschapselementen en zijn als zodanig zeer veel onderzocht. Professor A.E. van Giffen had de leiding van vele opgravingen die met name tijdens de jaren dertig hebben plaatsgevonden.

Lijksilhouet

Grafheuvels vertellen ons niet alleen iets over het dodenritueel in de betreffende periode, maar ook veel over de materiële cultuur. Met name de voorwerpen die men de dode meegaf, vertellen ons veel over het leven in de prehistorie. De menselijke resten, inclusief de grafgiften werden zo goed als altijd boven de grondwaterspiegel begraven. In het goed luchtdoorlatende zand werd alles van organische oorsprong door bodemorganismen verteerd of onder invloed van zuurstof chemisch geoxideerd. Wat bewaard bleef in de graven, zijn alleen de stenen voorwerpen en aardewerkpotten. Van het menselijke lichaam bleef na verloop van tijd zelfs het botmateriaal niet bewaard. In zeldzame gevallen is een donkere afdruk van het lijk in het zand achtergebleven. Op de foto hiernaast zien we zo'n 'lijkschaduw' of 'lijksilhouet'.

Mannelijke en vrouwelijke graven

De bijgiften vormen indicaties voor het geslacht van de dode. Een graf dat zowel een beker, een strijdhamer, een bijl als een vuurstenen mes bevat, wordt als een behoorlijk rijk mannengraf beschouwd. Strijdhamers en bijlen zijn nou eenmaal typisch 'mannelijke' voorwerpen. Vrouwen moesten het vaak alleen doen met een beker en soms nog een klein mesje. Ook de houding van de dode geeft een aanwijzing. In de late Steentijd en vroege Bronstijd werden de doden liggend op de zijde begraven, met opgetrokken knieën. In hurkhouding dus, maar dan platgelegd. Meestal liggen ze in een ongeveer oost-west gerichte grafkuil. Opvallend in deze vroege tijd is dat de mannen op de rechter zijde liggen, met het hoofd naar het westen en kijkend naar het zuiden. De vrouwen liggen op hun linkerzij, met het hoofd in het oosten en dus eveneens naar het zuiden kijkend.

Spiegelbeeld van een dode

Bovenstaande foto toont een lijksilhouet van ongeveer 1,80 meter lang die in 1932 aangetroffen werd bij de opgraving van een grafheuvel bij Elp. De grafheuvel was 1,5 meter hoog en had een diameter van 22 meter. Professor van Giffen merkte in zijn verslag van de opgraving op dat het bijgezette lijk zich bijzonder duidelijk aftekende. Opvallend was dat 'den doode geene bijgaven waren meedegegeven, die den tand des tijds doorstaan hebben. Slechts een lancetvormige grondverkleuring, ter hoogte van de opgeheven hand, wees er op dat men bij of in de laatste nog een houten of beenen dolkje of een ander puntig voorwerp gelegd had'. Van Giffen dateerde het lijk op ongeveer het midden van de Bronstijd.
Van het gave lijksilhouet is destijds een zogenoemde lakfilm gemaakt. Van zandgrond is makkelijk een lakfilm te maken door het zandoppervlak te impregneren met speciale profiellak. De lak dringt enige millimeters in de poriën tussen de zandkorrels en lijmt de korrels aan elkaar. Na ongeveer een dag is de lijm taai opgedroogd en kan de verkitte laag zand van het oppervlak worden losgetrokken. Het resultaat bij het lijksilhouet is een zeer natuurgetrouwe afbeelding die op een houten plaat is geplakt. Met een lijstje erom vormt zo'n lakfilm een bijzonder decoratief 'schilderij uit de bodem'. Een nadeel van dit proces is dat we bij een lakfilm een spiegelbeeld zien. Van Giffen heeft geen uitspraak gedaan over het geslacht van de dode, maar uitgaand van de eerder gedane beschrijving wordt hier een vrouw in mannenpositie getoond. Als u de dode uit Elp nog eens met eigen ogen op de originele lakfilm wilt bekijken dan kan dat dagelijks, want het lijkportret wordt permanent geëxposeerd in het Drents Museum in Assen.


Diepe vorstwig uit ijstijd (verscheen in Noorderbreedte 2002-1)

Tekst: Gerrie Koopman
Fotografie: Jaap Buist

Eind november 2001 is een twaalf meter diepe bouwput uitgegraven voor een parkeergarage op het terrein van het Academisch Ziekenhuis aan de Oostersingel in de stad Groningen. Voorafgaand aan deze diepe graafwerkzaamheden hebben archeologen, onder leiding van stadsarcheoloog Gert Kortekaas meer nabij de oppervlakte onderzoek verricht naar vroegere bewoningssporen. Elders in dit Noorderbreedte-nummer is een artikel over de archeologische bevindingen aan de Oostersingel te lezen. Tijdens het graven van de diepe bouwput, werden in het zand van een zijwand onverwacht haarscherpe vorstscheuren zichtbaar. De meest forse vorstscheur is op de pagina hiernaast afgedrukt. De kleinere foto geeft een goede indruk van de grootte van het fenomeen. De onderzoekers hebben, naast de ladder en tevens onder de persoon met helm, in het zand de diepte in meters ten opzichte van NAP gegraveerd.

Circa 20.000 jaar oud

Voor de verklaring van dit fenomeen moeten we 100.000 jaar teruggaan. Toen, aan het eind van de op één na laatste ijstijd (Saalien), werd door enorme hoeveelheden smeltwater het oerstroomdal van de Hunze uitgeschuurd. Tussen 70.000 en 10.000 jaar geleden, de periode van de laatste ijstijd (Weichselien), werd dit diepe dal weer laagsgewijs opgevuld met zandige materialen. Noord-Nederland werd tijdens deze ijstijd niet bedekt met landijs, maar het was hier zo koud dat de ondergrond tot op grote diepte permanent bevroren was (permafrost). Onder deze omstandigheden is, 14.000 tot 30.000 jaar geleden de vorstscheur op bijgaande foto's ontstaan. De afgebeelde scheur is ongeveer zes meter lang. Dit bewijst dat de bodem tot minstens zes meter diepte streng bevroren is geweest

Vorstscheuren en -wiggen

Een vorstscheur ontstaat doordat het volume van ijs afneemt wanneer het kouder wordt. Het ijs zit in de bodem opgesloten in de holtes tussen de zandkorrels. Bij een plotselinge en forse verlaging van de temperatuur krimpt de grond en gaat scheuren. Door het tijdelijk ontdooien van de bovengrond sijpelt water in de scheur. Wanneer een volgende strenge koude periode volgt, zal de grond op dezelfde plek scheuren, waarbij opnieuw een laagje ijs in de scheur kan worden bijgevormd. Dit proces kan zich vele malen herhalen, met het resultaat dat zich een wigvormig ijslichaam in de grond vormt. De breedte van zulke ijswiggen kan oplopen tot twee meter. In Siberië zijn ijswiggen van 10 meter breed en 100 meter diep waargenomen. Als de permafrost verdwijnt, smelt ook de ijswig en wordt de ruimte opgevuld door materiaal van bovenaf. De vorstwig op de foto wordt extra scherp afgetekend, doordat er verspoeld veen (donkergekleurd) in terecht is gekomen In de openingen van deze (en enkele andere) heeft een geultje zich ingesleten. Het tekent zich dankzij een vulling met verspoeld veen fraai af. Het is waarschijnlijk dat dit geultje actief was in een iets warmere periode, waarbij de permafrost nog niet was verdwenen. In een ander geultje, eveneens op een vorstscheur werd een brok veen gevonden, dat gezien de consistentie daarvan in bevroren toestand moet zijn getransporteerd. Verder is het opmerkelijk dat de scheur niet recht naar beneden loopt, maar schuin. Dit is mogelijk veroorzaakt doordat de bevroren grond langs de scheur is gaan glijden als gevolg van de steile hellingen in het opgevulde oerstroomdal van de Hunze.


Petersburg afgeplat (verscheen in Noorderbreedte 2002-2)

Tekst: Wiebe Nijlunsing
Fotografie: Gerrie Koopman

In juni 2001 belde Hindrik van der Ploeg, woonachtig aan de Bokkekampsweg bij Donkerbroek (Friesland), naar de redactie van Noorderbreedte met de melding dat hij een sloot in zijn land had laten graven. Daarbij was een mooi bodemprofiel zichtbaar geworden. De moeite waard voor een beschrijving in Noorderbreedte vond hij. Soms heb je inderdaad geluk: dan is er een lijnrechte sloot getrokken door een weiland die je een onverwacht mooi beeld geeft van het bodemprofiel ter plaatse. Dat profiel kan heel intrigerend zijn. Kijk mee naar het hiernaast afgebeelde bodemprofiel: hoe is het bijvoorbeeld mogelijk dat er op dat gele zand een dun laagje veen te zien is met daarop weer een massieve zwarte laag grond? Als er veen onder zit kan die zwarte grond er nog niet zo lang liggen! En waarom zien we in deze zandgrond geen podzol met de bekende inspoelings- en uitspoelingslagen?

Zijloopje van Tjonger

Het zuidoosten van Friesland wordt bodemkundig gekenmerkt door keileem in de ondergrond met daarop dekzanden, plaatselijk weer afgedekt met veen. Het ruimtelijk patroon is ontstaan doordat diverse riviertjes zich hier sinds de ijstijden hebben ingesleten in het keileem. Ten noorden van Donkerbroek is dat de Tjonger. De mens heeft door de tijden heen steeds de beste gronden uitgezocht voor de landbouw en de mindere gronden geleidelijk aan geschikter gemaakt door bemesting en ophoging met aangevoerd zand.
Als we de bodemkaart raadplegen, zien we dat we hier inderdaad te maken hebben met een zijloopje uit de bovenloop van de Tjonger. De code voor het bodemtype op de bodemkaart is zWz. De naam die er bij hoort is 'broekeerdgrond met een zanddek'. Deze eerdgrond is ontstaan in zandgrond die zo nat was dat er geen inzijging plaatsvond en dus ontstond er geen podzol. Wat er wel ontstond was veen: eerst rietveen en zeggeveen en later veenmosveen dat zich uiteindelijk uitstrekte over de hogere gronden. Dit zogenaamde hoogveen heeft later de ontwikkelingsgeschiedenis van deze streek mee helpen bepalen. Als je goed kijkt is nog een laagje veen te zien tussen de zwarte grond en het gele zand.

Plat werd nog platter

Om het hoogveen te ontginnen werden wijken gegraven. Vlakbij de plaats waar nevenstaand bodemprofiel werd aangetroffen ligt de Schoterlandse Compagnonsvaart. Deze loopt vanuit Jubbega en omgeving via Donkerbroek naar Appelscha. Waar veel veen te winnen was, kwamen zijvaarten met wijken die in het landschap nog steeds herkenbaar zijn. Hier was dat duidelijk niet het geval. Op de Schotanuskaart van 1718 heet de weg van Donkerbroek naar het noorden 'Wech over het veen'. Er was dus wel een laag veen aanwezig, maar er kon een weg over worden aangelegd. Westelijk lagen de venen van Heerenveen naar Jubbega, oostelijk de Smilder venen. Het gebied hier werd ontgonnen, terwijl de vaarten werden gegraven. Het hoort bij de zogenaamde oude ontginningen. Dit in tegenstelling met de heidevelden die in de eerste helft van de 20e eeuw tot landbouwgrond werden omgevormd toen de kunstmest zijn intrede deed. Het ontginnen bestond in dit geval uit ophogen en bemesten. Dit gebeurde door middel van plaggen met schapenmest uit de potstallen en plaatselijk ook wel met vrijgekomen grond uit de nieuwe vaarten. Zo ving men twee of misschien wel drie vliegen in een klap: de grond werd bemest en kwam wat hoger te liggen en het overtollige zand kreeg een goede bestemming. Al met al werd de lange trend tot nivellering ook in deze streek doorgezet: het platte Nederland werd ook hier nog platter gemaakt. Als je goed naar de zwarte bovengrond kijkt, zie je aan het wat vlekkerig zwart dat het inderdaad moet gaan om opgebrachte grond.

Overigens laat de bodemkaart zien dat dit bodemprofiel maar plaatselijk voorkomt. Iets verderop, naast het voormalige dalletje, is op de bodemkaart gewoon weer een (natte) podzolgrond te zien. Dat het hier nog steeds nat is, laat ook het onderste gedeelte van het bodemprofiel goed zien: het ijzer is maar ten dele verroest. Helemaal onderin is het zand grijsgroen ten teken dat hier altijd grondwater aanwezig was en er dus nooit lucht bij kon komen. Dat zal door die mooie sloot nu trouwens wel veranderen…

Rusland in Friesland

Intrigerend zijn de Russische plaatsnamen in de omgeving van het beschreven bodemprofiel. Het profiel werd aangetroffen bij het gehucht Petersburg. Op een steenworp afstand daarvan ligt Moskou. De verklaring hiervoor? Het verhaal gaat dat een zekere Peter hier woonde op een heuveltje. Men vond dat bij Petersburg toch Moskou moest liggen… Nou, dat kon geregeld worden! Onze tipgever Hindrik van der Ploeg heeft een meer aannemelijke verklaring: de verveners van destijds namen het communisme mee naar deze streken. En waar voelde men zich dan meer thuis dan in Rusland?


Stormachtig verleden van de Appèlbergen (verscheen in Noorderbreedte 2002-3)

Tekst en fotografie: Gerrie Koopman

De Appèlbergen is een afwisselend bos- en heidegebied van ongeveer 35 hectare op de Hondsrug, ten oosten van Glimmen en op fietsafstand van de stad Groningen. De recreatiedruk op het gebied is dan ook vooral in het weekend goed waarneembaar. Het voormalige militaire oefenterrein is momenteel grotendeels in bezit en beheer van Staatsbosbeheer. Het is een afwisselend gebied met heide, stuifduinen en bos. Op meerdere plaatsen in de Appèlbergen komt het keileem dicht onder de oppervlakte voor. Als gevolg daarvan komen, hoewel hooggelegen op de Hondsrug, in de Appèlbergen flinke vennen voor.

Op Appèl met Bommen Berend

Volgens de Nieuwe Groninger Encyclopedie ontleent het gebied zijn naam aan het voorkomen van sparren. Appels zou dan duiden op sparappels. Maar niet voor niets ligt er vrijwel altijd een streepje op Appèl. De tweede verklaring van de Encyclopedie is daarom gerelateerd aan het voormalig gebruik van het terrein, namelijk als militair oefenterrein. Ondanks het feit dat op oude topografische kaarten de naam nog niet voorkomt, is de naamsverklaring die teruggaat naar 1672, wellicht nog het aardigst. In dat jaar belegerde Bommen Berend namelijk de stad Groningen. Hij trok daarbij met zijn legertroepen over de Hondsrug. Zijn legers bivakkeerden rond de huidige Appèlbergen. Volgens een overlevering stonden hier tussen de stuifzandheuvels elke morgen duizenden soldaten van Bommen Berend op appèl!

Stuiven over de Hereweg

Dwars door de Appèlbergen loopt een zandweg: de Hoge Hereweg. Deze zandweg was ooit onderdeel van de belangrijkste verbinding van Groningen, via Haren, met Emmen en Coevorden. Qua verkeersverbinding vergelijkbaar met de huidige A28. De oude verkeersader liep hier over de hooggelegen Hondsrug en was dus ook in natte tijden vrij goed begaanbaar. Het intensieve verkeer met karren en koetsen, dat vooral vanaf de zeventiende eeuw steeds belangrijker begon te worden, veroorzaakte desondanks diepe sporen. Als de assen de grond raakten, werd de weg niet gerepareerd, maar ging men naast het oude spoor rijden. Ruimte genoeg. Zo werd een brede bundel van karrensporen gevormd waarbij de aanwezige vegetatie werd vermorzeld onder de wielen en paardenhoeven. Het zand kwam weerloos aan de oppervlakte te liggen. In een droog voorjaar kon het losse zand door de wind worden opgenomen en begon een proces dat op meerdere plaatsen nauwelijks nog te stuiten was. De uitgestoven kuilen vergrootten zich en het weggeblazen zand bedekte de omgeving. In de Appèlbergen is op deze manier een flinke zandverstuiving ontstaan, die in de negentiende eeuw door het planten van grove dennen tot stilstand werd gedwongen. Van deze grove dennen zijn nog steeds exemplaren terug te vinden.

Overstoven haarpodzol

Het gefotografeerde bodemprofiel is afkomstig uit een heuvel in het zandverstuivingsgedeelte van de Appèlbergen. Duidelijk zichtbaar zijn de kenmerken van een podzolprofiel (zie ook Noorderbreedte 2001-3). We hebben hier te maken met een overstoven haarpodzolgrond. Een haarpodzol is kenmerkend voor een hooggelegen zandgrond met een relatief lage grondwaterspiegel. De bovenste 40 cm (op de foto deels beschaduwd door boombladeren) bestaat uit verstoven zand dat het podzolprofiel na vorming heeft bedekt. Het stuifzand heeft een karakteristiek grauwbruinige kleur. Het oorspronkelijke podzolprofiel begint op ongeveer 45 cm diepte met een donkergekleurde humusrijke 'bovengrond'. Daaronder bevindt zich een lichtgrijs gekleurde uitspoelingslaag van circa 20 cm dikte. Van ongeveer 70 tot 90 cm diepte zien we de donkerbruine inspoelingslaag, waarin de ingespoelde humus met meegenomen ijzerverbindingen zijn neergeslagen. Onder deze bruine laag bevindt zich het originele dekzand dat hier reeds in de laatste ijstijd door de wind is achtergelaten.

Omgekeerd reliëf

Onder de bruine inspoelingslaag is nog een bijzonder bodemkundig verschijnsel herkenbaar, namelijk een zogenoemd ijzerbandje. Een zeer grillig verlopend laagje van hooguit 1 cm dik waarin alle ijzerverbindingen uit de bovengrond zijn opgehoopt. Waarschijnlijk lag dit podzolprofiel oorspronkelijk in een laagte van het terrein. Doordat zich op de slecht doorlatende inspoelingslaag regenwater verzamelde, werd het neergeslagen ijzer, dat hier samen met de humus in terechtgekomen was, weer mobiel en werd het opnieuw omlaag getransporteerd om vervolgens in zeer geconcentreerde vorm als ijzerbandje weer neer te slaan. Het is hoogstwaarschijnlijk dat het stagnerende regenwater ook ervoor gezorgd heeft dat dit profiel werd geconserveerd. Het stuifzand werd uit de gortdroge hogere delen weggeblazen, maar bleef liggen in de nattere, lagere gedeelten. Ook dit is kenmerkend voor stuifzandgebieden: heuveltjes van nu zijn vaak de laagten van vóór de verstuiving, terwijl de dalen van nu oorspronkelijke hoogten waren. Wandelend door de stuifheuvels van de Appèlbergen loopt u dus in een gebied waar het reliëf zich heeft omgekeerd.


Gleyverschijnselen op De Heest (verscheen in Noorderbreedte 2002-4)

Tekst en fotografie: Gerrie Koopman

Tussen de driehoek die wordt gevormd door de plaatsen Oudemolen, Gasteren en Taarlo vloeien twee hoofdtakken van de Drentsche Aa samen. Het Gasterense Diep komt daar samen met het Taarlose Diep en samen vloeien ze verder naar het noorden als het Oudemolense Diep. Het gebiedje ten zuiden van het samenvloeiingspunt dat wordt begrensd door beide takken van de Drentsche Aa, heet De Heest. Voor een deel bestaat dit gebied uit een hooggelegen zandgebied dat geleidelijk afloopt naar weerszijden en naar het noorden in de richting van het waterniveau in de Drentsche Aa. Een deel bestaat uit madelanden, die vanaf 1967 door Staatsbosbeheer werden aangekocht. Het centraal gelegen zandplateau was tot 1976 bij een boer in gebruik en werd tot die tijd bemest. Daardoor is de bovengrond sterk verrijkt. Nadat ook dit gedeelte door Staatsbosbeheer was aangekocht, werd het totale gebied begraasd door schapen en runderen.
Met het doel versneld een voedselarme graslandvegetatie te ontwikkelen, werd in 1996 het zandplateau ontdaan van de voedselrijke bovenlaag. Door deze rigoureuze ingreep heeft Staatsbosbeheer bereikt dat het verloop van hoog naar laag weerspiegeld wordt door de vegetatie. Op het hoge deel vinden we de droogteminnende plantensoorten en in het lage deel de vochtminnende soorten. Daartussen bevindt zich een geleidelijke gradiënt van hoog naar laag die fraai in de vegetatie tot uiting komt.

Van podzol tot veengrond

Niet alleen in de vegetatie, maar ook in de bodem komt een gradiënt van hoog naar laag prachtig tot uiting. In het algemeen kunnen we zeggen: hoe hoger het maaiveld, hoe lager de grondwaterspiegel. In de hooggelegen zandgronden zal het regenwater de grond inzijgen naar het grondwater. In deze gronden, met een neerwaarts gerichte waterbeweging, zullen podzolgronden ontstaan door uitpoelings- en inspoelingsprocessen. In het laagste gedeelte van het terrein staat het grondwater 's zomers dicht aan de oppervlakte en staat het water 's winters vaak boven het maaiveld. Hierdoor kunnen plantenresten moeilijk verteren en ontstaat veen. In de laagste delen van het beekdallandschap vinden we daarom de veengronden.
Tussen het hoge en lage deel van het landschap is de grondwaterstand te hoog om podzolgronden te vormen en te laag voor de vorming van veengronden. In deze zone vinden we de zogenoemde 'eerdgronden'. Eerdgronden bestaan uit een goed ontwikkelde, donkergekleurde bovenlaag direct boven op het oorspronkelijke zand. Op de foto hierboven is een foto van zo'n eerdgrond afgebeeld.

Roestvlekken

Het bodemprofiel op de foto wordt op de bodemkaart een 'zwarte beekeerdgrond' genoemd. Het is een karakteristiek bodemprofiel voor de overgang van hoog naar laag op de flanken van de beekdalgronden. De zwarte bovengrond is gevormd doordat organismen plantenresten afbreken tot humus. Deze donkergekleurde humus is door wormen en andere bodemorganismen eeuwenlang intensief tot een diepte van circa 30 cm door de bovengrond gemengd. Onder de donkergekleurde bovenlaag zien we een vlekkenpatroon dat gevormd is door een jaarlijks wisselende grondwaterstand. Deze roestbruine vlekken ontstaan doordat zuurstof via oude wortelgangen en graafgangen in de bodem kan dringen en het van nature in de bodem aanwezige ijzer oxideert tot roest.
Roestvlekken en andere verschijnselen, veroorzaakt door de fluctuerende grondwaterstand worden ook wel 'gleyverschijnselen' genoemd. Daar waar geen of nauwelijks zuurstof komt, blijft het zand egaal grijsgekleurd. 's Winters staat de grondwaterstand tot in de donkergekleurde bovenlaag. We kunnen in het bodemprofiel aflezen dat 's zomers de grondwaterstand daalt tot een diepte van ongeveer 65 cm. Tot hier zijn namelijk de roestvlekken zichtbaar en daaronder is de kleur van het zand egaal grijs.
De oplettende lezer zal opmerken dat de waterstand in de gegraven kuil nog 20 cm lager staat. Ook dit is bodemkundig verklaarbaar. Afhankelijk van de poriëngrootte staat het water in de grond door de capillaire werking namelijk altijd hoger dan de waterstand die we waarnemen in een peilbuis of gegraven gat. Naast roestvlekken zijn in het bodemprofiel ook nog enkele donkergekleurde restanten van boomwortels zichtbaar. Deze getuigen van een tijd waarin De Heest was begroeid met bomen en struiken. Hieraan ontleent het gebiedje (Heest is afgeleid van heesters) oorspronkelijk zijn naam.


Kwelderklif bij Noordpolderzijl (verscheen in Noorderbreedte 2002-5)

Tekst en fotografie: Gerrie Koopman

Achter de Waddenzeedijk van Friesland en Groningen vinden we de kwelders. Bezonken zand en slib met daarop spontaan gevestigde planten die bestand zijn tegen regelmatige overstroming door het zoute zeewater. Hier, aan de rand van de Waddenzee, zorgt het getij voor een dynamisch gebied waarbij voortdurend sedimentatie (aanwas door bezinking van gronddeeltjes) en erosie plaatsvindt. Als de hoogte van het wad door de sedimentatie voldoende toeneemt, verschijnen spontaan pionierplanten zoals Engels slijkgras en zeekraal. Deze pionierplanten spelen een zeer belangrijke rol in de vorming van de kwelders, want hoe meer begroeiing, hoe meer zand en slibdeeltjes worden vastgehouden en hoe sneller de bodem hoger wordt. Als de zeebodem door dit natuurlijke proces is opgehoogd tot 10 à 20 cm boven het gemiddeld hoogwater, kunnen zich meerjarige planten vestigen. Ondanks het feit dat het zeewater dan nog slechts periodiek de kwelders overstroomt, zorgt de meerjarige kweldervegetatie voor een enorme toename van de opslibbing naar één of meerdere centimeters per jaar.

Kwelderwerken

Al eeuwenlang heeft de mens ook hier de natuur een handje geholpen. De huidige kwelders zijn vooral het resultaat van het stimuleren van het bezinkingsproces door de mens. Eerst door de kustboeren die greppels in combinatie met de kweldervegetatie gebruikten om deeltjes versneld te laten bezinken. Vanaf 1935 nam het Rijk de landaanwinning over, waarbij een systeem van bezinkvelden, omgeven door rijshoutdammen werd gehanteerd. Het uiteindelijke doel was om de aangewonnen kwelders en slibvelden voor agrarisch gebruik in te polderen; vandaar de term 'landaanwinningswerken'. Tegenwoordig is er geen sprake meer van landaanwinning, maar worden de kwelders nog wel door Rijkswaterstaat onderhouden. Vooral omdat vanaf de jaren zeventig de kustbescherming een belangrijke functie voor de kwelders werd. Sinds 1980 kwamen de bescherming en het herstel van de natuurlijke waarden meer op de voorgrond. Sinds de jaren negentig wordt daarom van 'kwelderwerken' gesproken.

Achter de dijk

Wie bij Noordpolderzijl de zeedijk passeert, ziet het dynamische kwelderlandschap aan zijn of haar voeten. De overgangen zijn fraai zichtbaar door langs het haventje in de richting van de Waddenzee te lopen. Direct onder aan de dijk ligt het hoogste deel van de kwelder dat door schapen of paarden wordt begraasd. Het hoge deel eindigt abrupt en wordt door een steile rand gescheiden van een lager gedeelte. Dit zogenoemde 'kwelderklif' is op natuurlijke wijze ontstaan. Bij het niet onderhouden van de kwelderwerken wordt de hoge kwelder steeds verder aangevreten. Na deze steile wand zien we een lager gedeelte met daarin gegraven geulen die grotendeels loodrecht op de kust staan. Deze geulen zijn onderdeel van de vroegere landaanwinningswerken. In deze geulen werd slib opgevangen. Na een jaar waren ze dichtgeslibd en werden ze weer uitgegraven, waarbij de inhoud over de tussenliggende perceeltjes werd verspreid. Om de opslibbing van deeltjes nog meer te versnellen, werden de bezinkvelden aan de zeezijde omgeven door rijshoutdammen, die meestal als donkere lijnen in de Waddenzee zichtbaar zijn. Deze dammen houden de golfslag tegen en vertragen de stroming, waardoor de in het water meegevoerde deeltjes nog beter kunnen bezinken.

Leesbare opslibbing

Het hierboven afgebeelde bodemprofiel is voor iedereen zichtbaar wanneer de steile kwelderwand tussen de hoge kwelder en het lagere deel, het kwelderklif dus, met een schep wordt afgeschraapt. Het is bodemkundig een vrij eenvoudig profiel, omdat bodemvormende processen nog nauwelijks hun sporen hebben achtergelaten. Voor bodemorganismen is de combinatie van zout en vocht een dusdanige belemmering dat deze nog nauwelijks de gelaagdheid hebben verstoord. Hierdoor is het opslibbingsproces fraai in de gelaagdheid van het profiel weerspiegeld. De donkergekleurde grijze lagen bestaan uit fijn slib en de dunne lichte strepen zijn zandlaagjes. Dit kleurverschil wordt vooral veroorzaakt door het vochtgehalte. Hoe fijner de deeltjes, hoe meer vocht vastgehouden kan worden en hoe donkerder de kleur. Duidelijk is te zien dat in de periode dat het onderste gedeelte is gevormd, vooral fijn slib is afgezet. Door het hoger worden van de kwelder kwam het minder vaak bij vloed onder water te staan. Dit gebeurde vooral tijdens stormvloeden, waarbij het zeewater flink in beroering was, waardoor grotere deeltjes met het water mee konden worden genomen. Bovenin vinden we daarom vooral zandige laagjes.


Kloostergrond in Thesinge (verscheen in Noorderbreedte 2002-6)

Tekst en fotografie: Adriana Bakker

De auteur is projectleider bij het archeologisch bureau ARC (Archeological Research & Consultancy)

Ten noordoosten van de stad Groningen ligt het dorp Thesinge. Ooit stond in Thesinge een kloostercomplex dat nagenoeg even groot was als de kom van het huidige Thesinge. Nu is alleen een deel van het koor van de kruiskerk bewaard gebleven. In augustus 2002, voorafgaand aan de aanleg van riolering, is een archeologische opgraving uitgevoerd in het centrum van Thesinge aan de Kapelstraat, waar eens de kruiskerk stond. Uit vooronderzoek bleek dat het bodemarchief hier nog intact was, waardoor er nog resten van het Benedictinessen klooster Germania uit de dertiende eeuw aangetroffen konden worden en mogelijk nog sporen van een oudere bouwfase.

Bodemarchief

Tijdens een archeologisch onderzoek wordt altijd het bodemprofiel gedocumenteerd. Vele gebeurtenissen hebben namelijk hun sporen in de bodem achtergelaten, waaruit de oudste geschiedenis van ons land valt af te lezen. Een bodemprofiel is daarom belangrijk voor een archeologisch onderzoek. Voor het vaststellen van de volgorde van ouderdom kunnen we gebruikmaken van het bodemprofiel. De oudste laag ligt onder, de jongste boven. Tussen de natuurlijke lagen vinden we woonlagen, afvallagen, akkerland en tal van andere sporen van de mens. Zo hebben we in Thesinge ook het bodemprofiel gedocumenteerd, waarvan hiernaast een uitsnede zichtbaar is.

Cannabis in de klei

In de opbouw van de lagen, gezien van onder naar boven en dus van oud naar nieuw, bevindt zich onder in het profiel een blauwgrijze matig zware kleilaag. Deze laag wordt vaak met de naam 'oude kwelderklei' aangeduid, omdat het in de eerste fase van de zogenoemde Duinkerke-transgressieperiode (circa 900-700 v.Chr.) is gevormd. In die periode, toen de zee tot aan Thesinge kon komen, werd deze laag klei afgezet, door de invloed van eb en vloed afwisselend in een zout, brak of zoet milieu. Met humus gevulde wortelgangen hebben in deze klei een zwart vlekkenpatroon veroorzaakt.
Boven de onderste kleilaag ligt een heel dun laagje humeuze klei met rietresten. Deze werd gevormd rond 700 v. Chr. In die periode werden de kwelderwallen aan de kust zo hoog dat ze gingen fungeren als natuurlijke dijken. Doordat het land niet goed meer afwaterde, kon in een drassige omgeving bij het huidige Thesinge riet gaan groeien. Ook deed de zee nog steeds zijn invloed gelden, wat tot uiting komt in twee dunne door de zee afgezette laagjes klei. In het bovenste laagje zijn bij het archeologisch onderzoek resten van cannabis, vlier en waterplanten aangetroffen. Cannabis werd door de vroegere bewoners in de omgeving van deze regio verbouwd voor het maken van touw.

Op deze dunne laagjes bevindt zich een veenlaag van ongeveer 40 cm dik. Het bovenste gedeelte is veraard (omgezet tot humus) en daarom donkerder van kleur. De invloed van de zee werd kleiner en in een moerassige omgeving kwam eerst door riet en later ook door andere plantensoorten de veenvorming goed op gang. Oorspronkelijk is dit veenpakket ongeveer twee meter dik geweest. Door veenwinning, maar ook door oxidatie, humusvorming en inklinking is de huidige dikte overgebleven.
In de late Middeleeuwen, toen er een aanvang werd gemaakt met de ontginning van de moerassige, met kreupelhout begroeide kweldervlakte, werd dit gebied in gebruik genomen door kloosterlingen. Ze hoogden het veen op met een kleilaag om zo meer stevigheid te krijgen. Dit is de eerste grondverbetering, die in het profiel zichtbaar is als een grijze klei met fosfaatvlekjes boven op de veenlaag.
In de dertiende eeuw werd de eerste bewoning vervangen door een nieuw kloostercomplex. Het kloosterterrein werd opgehoogd met opnieuw een laag klei. De kruiskerk en andere gebouwen werden op het terrein gebouwd.
Het kloostercomplex is in 1584 grotendeels verwoest en in 1786 werd de kloosterkerk op de koorpartij na tot de grond toe afgebroken. Ten tijde van de afbraak van het kloostercomplex en de periode daarop volgend, is door de bewoners de laatste afdekkende laag van donkergrijze zandige klei met veel puin aangebracht waarop nu het dorp Thesinge is gebouwd.


Binnenkort volgen op deze website ALLE (17) tot nu toe verschenen artikelen in de serie 'Van Eigen Bodem'

Wilt u reageren dan kan dat via onderstaande link:

mail naar Gerrie Koopman